Overslaan naar de hoofd content

De Stulpkerk

Historie

Hoe het begon

Van oudsher tot ongeveer 1580 was de heerlijkheid De Vuursche bezit van het kapittel van Sint Jan in Utrecht en later van de zusters van de Sint Servaas Abdij. Weer later werd de Vuursche een ambachtsheerlijkheid en kreeg de ambachtsheer een aantal rechten zoals de lagere rechtspraak, tolheffing, en inspraak bij de benoeming van geestelijken. Het dorp De Vuursche (nu Lage Vuursche) is een van de weinige gestichte buitenplaatsdorpen in Nederland.

Gerard van Reede, heer van Drakensteyn, was de belangrijkste vormgever van de heerlijkheid De Vuursche. Hij stimuleerde de bouw van het dorp door grond beschikbaar te stellen voor onder andere de bouw van een kerk voor de protestantse eredienst met een pastorie, een molen, school en woningen. Hiermee werd De Vuursche een echte gemeenschap.

Op 5 juli 1657 werd voor de eerste keer in De Vuursche een kerkdienst gehouden in de schuur van boerderij De Stulp achter het kasteel Drakensteyn. Dat was een grote boerderij op de zessprong aan de weg naar Pijnenburg. De eerste predikant van de gemeente was Nicolaas van Hasselt. Hij diende de gemeente van 1659 tot 1674.

In deze lijst de verschillende predikanten die achtereenvolgens verbonden zijn geweest aan de kerkelijke gemeente in Lage Vuursche. In de consistoriekamer hangen de portretten van een aantal van deze predikanten.

Jan van der Meulen 1830-1896

Predikanten

Nicolaas van Hasselt : 1658 – 1674
Theodorus Voet
Egbertus Berchman
Johannes van Eybergen
Theodorus van Eybergen
Arnoldus van Bentheim
Johannes Mess
Jan de Vrij
Wilhelmus B. van de Kasteele
Michael Verboom
Fulco Reitsma
Adrianus Cremer
Wilhelmus Camerlingh
Jacob Dermout
Hermanus Nagelvoort
Petrus G. Sprenger van Eyk
Jelmer Hinlopen
Jacobus Segaar
Philippus Jacobus Resler
Willem Carp
Adam Simons
Mattias Johannes Rómer
Dirk Adrianus Detmar
Bernhardus Moorees
Dirk Molenaar
Werner Willem van Beusekom
Henricus Egbertus Vinke
Dirk de Bonvoust Beeckman
Jacobus G.H. Sandbrink
Jacob Dermout
Johannes A. D. Molster
Gerhardus Molenkamp
Jesajas Wildschut
Willem Mol
Walraven Francken
Lieuwe Steinfort – 1848 tot 1853
Hendrik Bax
Elbert jan van Wisselingh
Herke van der Meulen
Jan Hendricus Guldenarm
Jan van der Meulen
Wybe Sijlstra
Philippus Sophius Niemeijer
Yme Doornveld
Theodorus G.C. Rappard
Johannes Hermanus Gunning E. Bzn
Aart Hendrik Jan G. van Voorthuizen
Jan van Amstel
Jacob van Sliedregt
Armand Gustav Haring
Johannes Andreas de Bruijn
Jan Cornelis Terlouw
Cornelis Johannes Klop
Hugo Jongebreur
Jeremias Cornelis Stelwagen
Marinus van der Linden
Gerrit Jan van de Top
Gijsbert Hendrik Kruijmer.

Onze huidige predikant is Ds. T.J. Lucas. Hij deed zijn intrede op 3 juli 2024

Historisch erfgoed

De Stulpkerk, de pastorie en de begraafplaats maken als ensemble deel uit van het van Rijkswege beschermd dorpsgezicht van Lage Vuursche. In de toelichting op het ministerieel besluit uit 1966 staat “De oude kern van het buurtschap Lage Vuursche wordt gevormd door een bescheiden doch goede bebouwing ter weerszijden van de Vuursche steeg. De kerk is enigszins terzijde hiervan gelegen aan de weg naar Baarn. Ofschoon architectonische monumenten van grote waarde niet aanwezig zijn, kan aan deze groepering een grote waarde toegekend worden, eensdeels door de ligging ervan te midden van een rijk en afwisselend natuurgebied, anderzijds door de nagenoeg gaaf bewaard gebleven oude aanleg van het dorpje met de fraaie beplanting.”

Wat dit ensemble uniek maakt, is dat de drie onderdelen nog steeds in meer of mindere mate hun oorspronkelijke functie vervullen. Het geheel is geen museaal complex, maar een levend en functionerend geheel waarin de Nederlands protestantse traditie onafgebroken wordt voortgezet. Dit maakt het ensemble van uitzonderlijke waarde binnen het Nederlandse religieuze en culturele erfgoed.

Kerkgebouw

Kort nadat de eerste kerkdienst werd gehouden in De Vuursche, werd met financiële steun van adellijke families uit de omgeving en van steden als Amsterdam en Alkmaar, een stenen kerk gebouwd op de grond geschonken door Gerard van Reede. De kerk werd rond 1658–1659 voltooid. Op 4 november 1658 deed de eerste predikant, Ds. Nicolaas van Hasselt, intrede.

Exterieur

De Stulpkerk is een bijzondere kerk omdat zij als protestantse kerk in de vorm van een kruis met korte dwarsarmen en een driezijdige koorsluiting is gebouwd, met traditionele gotische vormen. Dat is uniek voor een protestantse kerk in die tijd. Vermoedelijk zijn bij de bouw van de kerk hergebruikte kloostermoppen toegepast van een afgebroken klooster bij de Utrechtse Wittevrouwenpoort.
De wanden zijn aan de buitenzijde geleed door pilasters. Op de kerk bevindt zich een dakruiter. In de dakruiter bevindt zich een klokkenstoel met klok van Petit & Fritsen uit 1938. De klok heeft een diameter van 48,8 cm. Binnen bevindt zich een houten tongewelf.

Op 31 oktober 1967 is de Stulpkerk als rijksmonument aangewezen en als zodanig opgenomen in het register van Rijksmonumenten (ID 8561).

Interieur

Het interieur van de Stulpkerk heeft in de geschiedenis een aantal renovaties ondergaan, maar de specifieke vorm is door de jaren heen bewaard gebleven:

  • In 1843 zijn bij de renovatie onder meer ramen gewijzigd en is een wit gepleisterd tochtportaal aan de kerk gebouwd.
  • Tijdens de renovatie in 1938 is het koor van de kerk, welke voorheen gebruikt werd als consistoriekamer en vergaderruimte, bij het schip getrokken. Een nieuwe consistorie werd aan de kerk gebouwd. De kansel, voorheen in de as van het schip gesitueerd, werd op de hoek van het koor en het zuidertransept geplaatst. Het oog waaraan het klankbord was bevestigd, is niet verwijderd en herinnert nog altijd aan de oorspronkelijke situatie. Net als de ring die te vinden is aan een balk in het koor, waardoor de kachelpijp geleid werd welke door het dak naar buiten stak. Door het samenvoegen van het koor en schip, moest het orgel dat voorheen boven de kansel op de scheiding van koor en schip gesitueerd was, verplaatst worden naar de galerij. Enkele jaren later is de kansel opnieuw verplaatst. Naar alle waarschijnlijkheid omdat de opstelling niet voldeed. De banken werden uit het koor verwijderd en bij die in het schip gevoegd en de kansel kwam weer te staan in het midden van de koorafscheiding.
  • In 1989 werd een nieuwe leien dakbedekking aangebracht, ter vervanging van de in 1983 aangebrachte tijdelijke dakbedekking van dakleer, die was bedoeld om lekkages tegen te gaan. Ook werden de muren en ramen hersteld en is de consistorie afgebroken en opnieuw opgebouwd. Door een bouwkundige ingreep werd de consistorie enkele vierkante meters vergroot. De noordelijke zijmuur werd net als het dak in zijn geheel weer gebruikt voor de nieuwe consistorie. De nieuwe consistorie werd circa één meter verplaatst ten opzichte van de oorspronkelijke ligging.

Ook het interieur van de kerk onderging wijzigingen. De oude kansel, die was aangetast door houtworm, werd volledig vernieuwd. Enkele oude kerkbanken werden vervangen door stoelen, waardoor de ruimte multifunctioneler werd. Daarnaast werd de verlichting aangepast aan de sfeer van het gebouw. Het uurwerk van de klok is hersteld en gemoderniseerd.

Sommige onderdelen in het interieur hebben monumentale waarde:

Grafkelder/Kerkvloer

Bij de restauratie in 1938 werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om waar nodig kleine verbouwingen uit te voeren. Op zaterdag 21 mei van dat jaar verrichten vaklieden graafwerkzaamheden in het kerkgebouw. Daarbij werd onder de kerkvloer een ruimte aangetroffen, waarvan het bestaan niet bekend was. Opmerkelijk is dat deze ruimte ook bij de ruiming van ongeveer 200 kerkgraven rond 1913 niet bekend was; destijds zijn de stoffelijke resten herbegraven op de begraafplaats.

De vondst betrof een grafkelder van ongeveer 20m3. De kelder was gemaakt van degelijk metselwerk en voorzien van een boogvormig plafond. De kelderingang was dichtgemetseld. In deze kelder werden drie nog in zeer goede staat zijnde grote lijkkisten  aangetroffen, naast elkaar geplaatst. Ook vond men drie kinderlijkkistjes waarvan er twee nog intact waren gebleven. Op een kleine kist stond het jaartal 1661. In dit kistje bleek het stoffelijk overschot van Henrina van Reede tot Nederhorst, overleden 21 juli 1661 te zijn gelegd. Een andere kleine kist is voorzien van de aanduiding ‘J.V. 6 Oct. 1819’. De drie grote lijkkisten droegen de volgende opschriften:

  • W.V.I.L.1824;
  • C.H. van Oldeneel;
  • I.V.G. 1808.

Preekstoel

De eerste preekstoel in de kerk waarvan informatie beschikbaar is, betreft een preekstoel in de Lodewijk de 16e stijl. Deze preekstoel is verloren gegaan bij de restauratie van 1938. Naderhand hebben nog twee andere preekstoelen achtereenvolgens dienst gedaan in de kerk. Deze zijn door houtworm aangetast en vervangen. Sinds een aantal jaren beschikt de kerk over een preekstoel uit 1640. Deze is afkomstig uit Ankeveen.

Koninklijke Bank

In de kerk staat een koninklijke bank. Deze wordt in de volksmond wel de koninginnebank genoemd. In vroegere tijden was het gebruikelijk dat het kerkbestuur een eigen kerkbank ter beschikking stelde aan welgestelde landgoedeigenaren. Voor het gebruik van de bank verwachtte het kerkbestuur een vergoeding. De eigenaren van het landgoed Ewijcks Hoeve maakten van het aanbod van een kerkbank gebruik. Na het overlijden van de eigenaresse van de Ewijcks Hoeve verkopen de kleinkinderen de hoeve aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik der Nederlanden, ook wel bekend als Prins Hendrik de Zeevaarder. Het kerkbestuur besluit – na grondige opknapbeurt – de kerkbank aan te bieden aan Prins Hendrik. Hij aanvaardt het aanbod en betaalt per jaar 300 gulden als vergoeding. Na het overlijden van Prins Hendrik wordt de overeenkomst rondom de kerkbank niet ontbonden en blijft de kerkbank in gebruik van de koninklijke familie. Koningin Emma en later haar dochter Wilhelmina maken gebruik van de bank. Het is in die tijd dat in de volksmond de kerkbank werd aangeduid met Koninginnebank, terwijl oorspronkelijk werd gesproken over de Koninklijke Bank.

De Koninklijke Bank stond in eerste instantie aan de noordzijde van de kerk. Gasten konden via een speciaal voor hen gemaakte deur gebruiken, zodat zij niet door de kerk hoefden te gaan om de bank te bereiken. We weten niet wanneer het wapen precies op de bank is geplaatst, maar we weten wel dat het wapen aanwezig was toen de bank aan de noordzijde van de kerk stond.. De bank had een monumentale uitstraling, met groen velours gordijnen, met een aparte bank voor het personeel. Via een opstapje kon men in de bank plaatsnemen. Bij de restauratie van 1938 is de toenmalige kerkbank vervangen door een nieuwe en is de bank verplaatst naar de andere kant en is een aparte deur aan die kant gemaakt. Aan de kant van de begraafplaats is de dichtgemetselde deur nog zichtbaar. De nieuwe deur is nooit gebruikt, omdat Koningin Wilhelmina liever gewoon via de normale ingang ging. In 1981 is de overeenkomst met het Koninklijke Huis beëindigd. Ondanks die beëindiging heeft de bank nog altijd de naam Koninklijke Bank.

Kanselbijbel

De kanselbijbel is gedrukt in 1682 door de gebroeders Keur en heeft een mooie uitstraling. Dit komt mede door het zilveren beslag in plaats van het gangbare koper. In 1918 werd deze geschonken door de weduwe van dominee L. Steinfort. Hij was predikant van De Vuursche van 1848 tot 1853. In februari 1996 is de bijbel uit de kerk ontvreemd. De kanselbijbel is 30 jaar zoek geweest. De bijbel is in 2025 teruggevonden en op 22 maart 2026 weer plechtig in gebruik genomen en op de kansel gelegd.

Gerechtskist

De kerk beschikt over een bijzondere gerechtskist. Op de kist staat: ‘Geregtskiste van de Vuyrsche’. Deze kist werd in vroeger tijden gebruikt bij het rechtspreken binnen de grenzen van het gebied de Vuursche. Hierbij ging het vaak om kleine misdrijven, ook wel lage jurisdicties genoemd. Deze ‘geregtkiste’ stond vroeger in de bovenkamer van de voormalige herberg. Tegenwoordig heeft deze kist een prachtige plaats in het koor van de kerk.

Scheepskist

Voor in de kerk staat een zware scheepskist. De geschiedenis hiervan is helaas niet bekend. Waarschijnlijk is deze kist een overblijfsel uit de 17e eeuw.

Avondmaalsbeker

De kerk heeft van de dochter van Gerard van Reede, Henriette van Reede, een avondmaalsbeker (uit de 17e eeuw) als geschenk ontvangen. Bij bijzondere gelegenheden wordt deze in de kerk tentoongesteld.

Orgel

In de Stulpkerk staat een orgel dat is gebouwd in 1881 door P. van Oeckelen & Zonen. Dit orgel is geschonken door H.A. Insinger aan de kerk. Onder het orgel is dit nog zichtbaar door een plakkaat. Op zondag 6 juni 1881 werd het orgel  in gebruik genomen.

Oorspronkelijk stond het orgel in het koor van de kerk, maar in 1938 verplaatste men het naar een nieuw balkon aan de zuidzijde van de kerk. De middentoren van de kast werd lager geplaatst en enkele kastonderdelen werden verwijderd of aangepast. De Trompet 8 B/D vervangen en het Salicionaal werd aangepast en als Voix Céleste ingezet. Tijdens de restauratie zijn de beelden die oorspronkelijk bovenop de kast stonden, verdwenen.

In 2003 restaureerde Elbertse Orgelmakers het orgel, waarbij de oorspronkelijke kleuren van de orgelkas werden hersteld en de frontpijpen van bladgoud werden voorzien. De meest recente restauratie vond plaats in 2004. Deze werd opnieuw uitgevoerd door Elbertse orgelbouw, onder advies van Aart Bergwerff. Het orgel werd teruggebracht naar de oorspronkelijke staat. Ontbrekende kasdelen zijn hersteld. Daarnaast werd een nieuw pedaalklavier aangebracht, naar voorbeeld van het orgel in Rockanje. Ook is de trapconstructie gereconstrueerd. De Trompet B/D 8 is vervangen door een exemplaar van het orgel van Niekerk.

Technische Specificaties

Het orgel heeft één manuaal, bestaande uit 54 toetsen, met de volgende dispositie:

  • Bourdon 16 B/D,
  • Prestant 8,
  • Holpijp 8,
  • Viola di gamba 8,
  • Salicionaal 8,
  • Octaaf 4,
  • Fluit 4,
  • Quintfluit 3,
  • Woudfluit 2
  • Trompet 8 B/D.

Het orgel beschikt over een aangehangen pedaal, met een combinatietrede voor het in‑ en uitschakelen van de combinatiestemmen.

Het orgel werkt met een winddruk van 80 mm waterkolom. De toonhoogte is ingesteld op a¹ = 440 Hz bij een temperatuur van 16 °C. Het instrument is gestemd in evenredig zwevend temperament, waardoor alle toonsoorten even bruikbaar zijn.

Pastorie

De pastorie is gebouwd in de stijl van het neoclassicisme naar ontwerp van de architect Nicolaas Johannes Kamperdijk. Het gebouw heeft een zadeldak, wat typerend is voor de regio en bouwperiode, en is traditioneel met pannen gedekt. Op 31 oktober 1967 is de pastorie aangewezen als rijksmonument en als zodanig ingeschreven in het monumentenregister (ID 8560).

De pastorie beschikt over twee authentieke woonkamers die worden gebruikt voor de kerkelijke activiteiten. Op de zolder bevindt zich nog altijd het oude authentieke kamertje van het vroegere dienstmeisje, Rijkje van der Schagt. Rijkje kwam uit een eenvoudige maar trotse familie van jachtopzieners. Na de lagere school kreeg ze rond 1920 een dienstbetrekking met kost en inwoning in de pastorie bij de toenmalige predikant Gunning.

De cultuurhistorische waarde van de pastorie schuilt in haar blijvende plaats binnen een historisch ensemble dat al generaties lang in gebruik is. Samen met de kerk en de begraafplaats vertelt zij het verhaal van geloof, gemeenschap en dagelijks leven door de eeuwen heen. De pastorie is geen stil erfgoed, maar een gebouw dat steeds opnieuw een rol heeft gespeeld in het kerkelijk leven en in het dorp en zo een tastbare verbinding vormt tussen verleden en heden, én tussen de geschiedenis van Nederland en de protestantse traditie.

De pastorie in Lage Vuursche heeft – naast de woonfunctie op de bovenverdieping – diverse andere functies. De benedenverdieping van de pastorie fungeert als kerkelijk centrum. Zo worden de Bijbelstudie, catechisatie en andere (kerkelijke) vergaderingen gehouden in de pastorie en is eenmaal per maand na de kerkdienst iedereen welkom voor koffie. Een belangrijke activiteit, met name nu de kerkelijke gemeente een sterke groei doormaakt. In de Stulpkerk zijn de mogelijkheden hiertoe te beperkt.
De pastorie wordt ook gebruikt voor bijeenkomsten van de Vuursche Vrouwen. Een initiatief van vrouwen voor de vrouwen uit Lage Vuursche en omliggende dorpen. Zo speelt de pastorie een rol in de lokale gemeenschap, zoals het door de eeuwen heen heeft gedaan.

Historie

Voordat de huidige pastorie is gebouwd, deed een soort boerenwoning dienst als pastorie. Een eenvoudige behuizing met één verdieping. Deze boerenwoning was gebouwd omstreeks dezelfde periode als waarin de kerk is gebouwd, in 1657, op grond die geschonken was door Gerard van Reede. Na ruim twee eeuwen was deze boerenwoning sterk vervallen en werd zij niet langer geschikt geacht om in te wonen. Een architect en een arts gaven de kerkvoogden van die tijd het advies ‘urgent nieuwbouw te plegen’.

Het toenmalige kerkbestuur besloot opvolging te geven aan dit dringende advies. De bouwkosten voor de bouw van een nieuwe pastorie werden aanvankelijk geraamd op ƒ 10.000,-. Architect Kamperdijk te Utrecht begrootte de kosten op ƒ 7.900,-. Binnen de gemeente werd ƒ 1.550,- ingezameld, waarbij de grootste bijdragen afkomstig waren van vermogende families zoals familie Bosch van Drakestein en familie Insinger. Daarnaast werden subsidies aangevraagd bij de Koning, de algemene kerkelijke synode en de provincie. Het rijk kende ƒ 2.900,- toe, de provincie ƒ 1.900,- en de synode stelde ƒ 900,- beschikbaar. Ook Amsterdam en Alkmaar ondersteunden de bouw met financiële middelen.

Op 27 juli 1861 vond in Utrecht de aanbesteding plaats voor het slopen van de in verval geraakte boerenwoning en het bouwen van een nieuwe pastorie. Er verschenen in totaal acht inschrijvers. Jan van Es uit Lage Vuursche deed de laagste inschrijving van f 6.795,-. De opdracht werd aan Van Es gegund. Het toezicht op de bouw werd opgedragen aan J.M.F. Wellan, aspirant-ingenieur van de waterstaat.

De nieuwe pastorie werd in 1862 in gebruik genomen. In de ruim 160 jaar na de bouw van de pastorie in 1861 is er nauwelijks iets gewijzigd of aangepast. De authentieke architectuur en detaillering zijn grotendeels behouden gebleven, waardoor het gebouw nog altijd de oorspronkelijke sfeer en uitstraling heeft die destijds werd beoogd.

Architect

Nicolaas Johannes Kamperdijk werd op 13 maart 1815 in Utrecht geboren. Rond 1840 begon hij zijn loopbaan als architect. In deze beginjaren hield hij zich niet alleen bezig met het ontwerpen van gebouwen, maar verrichtte hij ook opzichterswerk. Zijn vroege oeuvre wordt gekenmerkt door de neogotische stijl, die hij vooral toepaste bij de bouw van kerken. Opvallend daarbij is dat Kamperdijk zowel protestantse als katholieke kerkgebouwen ontwierp. Na 1850 richtte hij zich niet langer op kerkbouw en koos hij, met name bij openbare gebouwen, consequent voor de toen gangbare neoclassicistische stijl.

Kamperdijk verwierf vooral bekendheid als architect van spoorwegstations. In totaal ontwierp hij circa vijftien stations, waarvan een aanzienlijk deel tot op heden bewaard is gebleven. Voorbeelden van kleinere stations zijn Bilthoven en Soestduinen, beide gerealiseerd in 1865. Zijn grotere en meer monumentale stations bevinden zich onder meer in Amersfoort (1863), Zwolle (1866) en Dordrecht (1870).

De pastorie in Lage Vuursche behoort tot de regionale werken van Kamperdijk. Tot dit oeuvre worden eveneens gerekend het raadhuis annex de gemeenteschool in Vreeland (1860–1861), het woonhuis aan de Dorpsstraat 1 in Oud‑Zuilen (1865), het Bisschoppelijk Paleis aan de Maliebaan 40 in Utrecht (1868) en het NS‑administratiegebouw I in Utrecht (1870–1871).

Begraafplaats

Historie

In de 17e eeuw werden mensen in De Vuursche in de kerk begraven. Er bestaat een grafregister gedateerd 24 april 1659 met namen van personen met een eigen grafstede “in de kerke op de Vuursche”. 

In 1791 voldeed de ruimte in de kerk niet meer.  Daarom werd er een afzonderlijk kerkhof naast de kerk aangelegd, aan de huidige Hoge Vuurseweg. Het aanleggen van dit eerste gedeelte van de begraafplaats werd uitgevoerd door Dirk van de Woord.

Het kerkhof kreeg een wigvormige plattegrond met een rechthoekig padenstelsel. Om het kerkhof stond een hek van eikenhouten palen en planken. Rond 1900 was het hek in slechte staat geraakt. Juffrouw Staal, van het nabijgelegen landgoed Staalwijk, bood aan een ijzeren hek te plaatsen. In de notulen van augustus 1900 wordt melding gemaakt van grote vreugde dat een nieuw hek was geplaatst.

Bij het plaatsen van het hek werd rekening gehouden met uitbreiding. Ook in de 20-e eeuw is het terrein meerdere keren uitgebreid, en wel in de richting van kasteel Drakensteyn. Hierdoor kwam de wigvorm nog duidelijker naar voren.

Op het kerkhof staan onder meer een klein stenen baarhuisje en verschillende historisch interessante graven.

Speciale graven

Het grafmonument Jan Herman Insinger (1854-1918) en diens vader Herman Albrecht Insinger (1827-1911) is een beschermd rijksmonument. Het grafmonument is ontworpen door architect J.W. Hanrath. Reden voor de monumentenstatus is de cultuurhistorische waarde als uiting van de funeraire cultuur, de bouwstijl en de plaats in het oeuvre van Hanrath. Het graf is ontworpen in Egyptische stijl met diverse hiërogliefen en inscripties.

De vrouw van de zeer bekende beiaardier Jakob Vincent. Zij overleed in 1938 aan een ernstige ziekte in een pension in Lage Vuursche. Als aandenken aan zijn vrouw schonk Jakob een nieuwe luidklok. Op 28 mei 1939 (1e pinksterdag) werd de nieuwe klok ingeluid. Op het graf van zijn vrouw is een luidklokje te zien.

De Wilde was een welgestelde chirurgijn, planter, grootgrondbezitter en eigenaar van het landgoed Pijnenburg.

Mevrouw Walraven Fisler was de voormalige eigenaresse van de Ewijckshoeve en voormalige huurster van wat nu de Koninklijke Bank in de Stulpkerk heet. Zij is achtereenvolgens getrouwd geweest met Van Toorneburg, Gildemeester en Walraven Fisler. Ondanks dat haar tweede echtgenoot in zijn testament had aangegeven dat hij in Lage Vuursche begraven wilde worden, is hij in de Duitse stad Cleef begraven. Zij ligt alleen op de begraafplaats, geen van haar echtgenoten liggen op de begraafplaats.